ˈavɔnt
Herkomsterfwoord via Middelnederlands avont van Oudnederlands avont, in de betekenis van ‘tijd waarin de duisternis intreedt’ aangetroffen vanaf 901
- periode die de overgang is tussen dag en nacht
- tijd tussen het eind van de gewone werkdag en het naar bed gaan.
“In de avond lezen we een boek bij kunstlicht.”
“De middag en avond waren op dezelfde wijze als alle middagen en avonden na de begrafenis verlopen. Een broodmaaltijd, zappen naar actualiteitenprogramma’s en vroeg naar bed.”
“Hannah tikte Geertje Rood aan, die zichtbaar schrok, en informeerde naar de twee kibbelaars, waarop ze te horen kreeg dat die al de hele avond druk in gesprek met elkaar waren.”
- dagdeel tussen de middag en de nacht, ongeveer van 18:00 tot 22:00 uur
“In de avond van 13 op 14 februari werd zij als vermist gemeld.”
“De brandende lampion die de kinderen, op de avond van Sint Maarten, zingend langs de huizen dragen, de kerstboom, de suizende lichtpijlen als het nieuwe jaar begint en de hoge sprong over het vuur op ”
- dagdeel waarin daglicht plaats maakt voor duisternis
“In de avond is het vaak nog niet geheel donker.”
- activiteit die in de overgang tussen dag en nacht plaatsvindt
“„(…) Ja, ten eerste is het een familietraditie omdat Christa... waar is ze vanavond eigenlijk?” Bij Grünewald voor een of andere literaire avond, ze komt straks.”
Vormenavonden(plural) · avondje(diminutive, singular) · avondjes(diminutive, plural)