ˈbevə(n)
OriginIn de betekenis van ‘trillen’ voor het eerst aangetroffen in 901
- unergativehard en heftig trillen door angst of door kou
“Hou toch eens op met beven en kalmeer eens even!”
“Hij beefde van de kou nadat hij 2 uur had geschaatst.”
“'Jij bent ziek,' zei hij bevend en ging dadelijk naar het paleis, om de andere Pieten wakker te maken.”
Formsbeefde(past) · gebeefd(past, participle) · te beven(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen beven(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen beven(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gebeefd(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gebeefd(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gebeefd zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gebeefd te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · bevend(imperfect, participle) · ev.
beef(imperative) · beve(subjunctive) · beef(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · beeft(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · beeft(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · beefde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · beefde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · beefde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · beefden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · beefden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)