/bezɪx/
OriginIn de betekenis van ‘werkzaam’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- aan het werken
“Bezig met de afwas.”
“Ik ben bezig, ik heb het druk, ik ben bezet.”
“Ik probeerde me voor te stellen waar ze nu mee bezig zouden zijn: met hun neus in de boeken of chattend met hun vrienden.”
- altijd aan het werken, vlijtig
“Hij is een bezig persoon.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezigen
- form-ofgebiedende wijs van bezigen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezigen
Formsbeziger(uninflected, comparative) · bezigst(uninflected, superlative) · bezige(inflected, positive) · bezigere(inflected, comparative) · bezigste(inflected, superlative) · bezigs(partitive, positive) · bezigers(partitive, comparative)