/blɑŋk/
OriginVan Middelnederlands blanc, Protogermaans blanka-. In de betekenis van ‘blinkend, wit’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287.
- met een lichte huidskleur
“In noordelijke gebieden is een blanke huidskleur voordelig want dan kun je meer vitamine D aanmaken maar je bent ook minder goed tegen de zon beschermd.”
- niet beschreven of bedrukt
“Heb je nog een blank velletje papier voor me?”
- kleurloos, transparant
“ik ga die tafel met blanke lak behandelen”
- bedekt met water, overspoeld; in deze bet. uitsluitend in de uitdrukking blank staan
“De hele keuken stond blank.”
- zuiver
Formsblanker(uninflected, comparative) · blankst(uninflected, superlative) · blanke(inflected, positive) · blankere(inflected, comparative) · blankste(inflected, superlative) · blanks(partitive, positive) · blankers(partitive, comparative)