/blʌʊ/
Originerfwoord via Middelnederlands blau van Oudnederlands blao, in de betekenis van ‘kleurnaam’ aangetroffen vanaf 1121
- primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
“Dat blauw ziet er best mooi uit.”
“Blauw is de kleur van de hemel en de Middellandse Zee.”
“Samen staan ze te wachten, hun blik gericht op de horizon, waarachter de stad en hun oude leven liggen, onder een hemel die gouden tinten en een nog dieper blauw verspreidt.”
- de kleur blauw hebbend
“Dat lijkt wel een blauw huis!”
“Hij verscheen in een mooi beige pak, met daaronder een blauw overhemd, dat afstak bij zijn donkere haar en hem een ongelooflijk elegante uitstraling gaf.”
“Midden in de nacht schrok ik wakker doordat de deur met een klap opensloeg. Twee jongens sprongen verschrikt de hut in, een hoop commotie veroorzakend. Ze waren naar buiten gegaan om te plassen maar w”
- zijnde een Indo of van (gedeeltelijk) Indonesische of Europees-Indische afkomst
“Doch ook daar moeten zij lijden door den vloek hunner geboorte; terwijl voor den gegoeden sinjo alle rangen tot de hoogste toe open staan, is de arme bastaard gedoemd om tal van vernederingen te verdu”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blauwen
- form-ofgebiedende wijs van blauwen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blauwen
Formsblauwen(plural) · blauwtje(diminutive, singular) · blauwtjes(diminutive, plural)