/ˈbotər/
HerkomstOntleend aan het middeleeuws Latijnse butyrum. In de betekenis van ‘voedingsstof van melk’ voor het eerst aangetroffen in 1240.
- gekarnde en geknede room van melk, meestal gebruikt als voedingsstof
“Hij smeerde een dikke laag boter op zijn brood.”
“Ze legt een pasteitje op een bord en bedruipt het met druivensap, schapenbouillon en boter voordat ze het aan Nella geeft.”
“Ik bestelde een lunch bestaande uit vier dikke pannenkoeken, rijkelijk belegd met boter en ahornsiroop.”
- oneigenlijk vervangproduct voor het onder 1 genoemde voedingsmiddel, geproduceerd uit plantenvet
“Veel mensen noemen margarine "boter".”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boteren
- form-ofgebiedende wijs van boteren
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boteren
Vormenboters(plural) · botertje(diminutive, singular) · botertjes(diminutive, plural)