ˈʃili, /ˈʃi.li/, /ˈʃi.li/
OriginLeenwoord uit het Spaans, in de betekenis van ‘cayennepeper’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1886
- een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
“Chili is vooral bekend door de staatshoofden Allende en Pinochet.”
- benaming voor planten uit het geslacht Capsicum
“De chili groeit overal; het is eene plant, die zeer veel verduren kan; de kunst bij de aankweeking doet dezelve wel in grootte toenemen , maar in kracht verminderen.”
- benaming voor pittige vrucht van een plant uit het geslacht Capsicum, soms ook gebruikt voor de niet pittige varianten
“Sadiq beet in verse chili, het sap brandde in zijn mond.”
- pittige specerij bestaand uit gedroogde en gemalen vruchten van planten behorend tot het geslacht Capsicum
“Rooster het komijnzaad in hete olie tot het kraakt. Voeg de courgette toe en roer en strooi chili, ketoembar en tarmeriek erdoor.”
- pittige saus gemaakt uit vruchten van planten behorend tot het geslacht Capsicum
“Gelukkig is er genoeg voor de toeristen en gooien ze niet overal chili en silantro op (peterselie, gadver). (…) we verdenken er zelfs iemand van dat ze een lollie in de chili doopte...”
- stoofpot onder meer bereid uit vlees en vruchten van planten behorend tot het geslacht Capsicum, vaak met bonen en tomaten
“Binnen giet hij zijn glas flink vol, zet de tv aan en maakt iets te eten. Hij zit aan de tafel met chili en crackers en kijkt naar iets over een blinde detective. Hij ruimt de tafel af. Hij wast de pa”
- obsoletekunstmest hoofdzakelijk bestaande uit natriumnitraat, gewonnen uit chilisalpeter
“Nog vraagt de heer Koopmans of kunstmeststoffen den grond niet uitputten. De heer De Vrieze spreekt dit bepaald tegen. Toen de chili vroeger nogal duur was, liet men dikwijls één ot twee meststoffen a”
FormsChili's(possessive) · chili's(plural)