dens, /deɪ̯ns/, /deːns/
HerkomstAfgeleid van Deen met het achtervoegsel -s
- linguistics, no-pluralGermaanse taal die wordt gesproken in Denemarken
- betreffende Denemarken of het Deens
“Denemarken ook nauwelijks, in de pers hadden ze het uitgebreid gehad over de gemoedelijke verhouding tussen de Deense bevolking en de Duitse gasten. De koning en de regering van Denemarken zaten nog o”
Bron: Wiktionary