dɪxt
HerkomstIn de betekenis van ‘nauw aaneensluitend’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1286
- dichtkunst
- het resultaat van die dichtkunst, een gedicht
- nauw aaneengesloten, zonder veel tussenruimte
“De bewolking is erg dicht.”
“Dit dichte dennenwoud ontnam mij elke vorm van overzicht en ik voelde me vaak claustrofobisch.”
“Hoe hoger we kwamen, hoe dichter ik tegen de rotswand ging lopen, doordat het naast me loodrecht naar beneden liep.”
- waar niets in of doorheen kan gaan, moeilijk doordringbaar, gesloten
“De deur is dicht. Het dak is dicht. Na zes uur is de winkel dicht.”
- op compacte wijze
“Nederland en Vlaanderen zijn dicht bevolkte gebieden.”
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van dichten
- form-ofgebiedende wijs van dichten
“Ik dicht wel even een Sinterklaasrijmpje.”
Vormendichten(plural) · dichtje(diminutive, singular) · dichtjes(diminutive, plural)