vrax, /vra:χ/, /vra:x/
- een verzoek (om inlichting)
“Hij stelde zijn leerkracht een vraag.”
“`Op die vraag zijn meerdere antwoorden mogelijk; zei ik.”
“De vier cursisten waren tussen de 70 en 80 jaar en stelden allerlei vragen aan deze nieuwe vogel aan tafel.”
- probleem, kwestie, vraagstuk
“Tijdens de eerste paar weken van mijn tocht bleef de vraag mij bezighouden of alleen op pad gaan egoïstisch was? Ja, mijn solotocht was in sommige opzichten zeker egoïstisch.”
“Het was dus maar zeer de vraag of het iets had uitgemaakt als hijzelf aanwezig had kunnen zijn bij de laatste fase van het storten, toen het ongeluk plaatsvond.”
- een behoefte aan goederen
“In Nederland is er veel vraag naar brandstof, net als in de rest van de wereld.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vragen
- form-ofgebiedende wijs van vragen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vragen
Vormenvragen(singular) · vraagje(diminutive) · vraagjes(diminutive, singular)