/ˈdovə(n)/
OriginIn de betekenis van ‘uitdoen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1611
- transitiveeen vlam uit doen gaan
“De brandweer wist het vuur snel te doven.”
“Iemand heeft het vuur gedoofd.”
“Het vuur is vanzelf gedoofd.”
- transitiveeen lamp uitdoen
“Ze zeiden niets, schopten alleen hun schoenen uit, deden de bedlampjes aan en doofden de plafondverlichting.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord dove
Formsdoofde(past) · gedoofd(past, participle) · te doven(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen doven(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen doven(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gedoofd(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gedoofd(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gedoofd zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gedoofd te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · dovend(imperfect, participle) · ev.
doof(imperative) · dove(subjunctive) · doof(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · dooft(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · dooft(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · doofde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · doofde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · doofde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · doofden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · doofden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)