/draːi̯/
OriginNaamwoord van handeling draaien ww
- omwenteling
“De turner maakte een Yurchenko met hele draai en gehoekte salto.”
- figurativelyopvallende verandering van richting of mening
“Het vliegtuig maakte een draai naar rechts.”
“Dat hij opeens niet meer naar Spanje wou, was een draai die haar verraste.”
- obsoleteklap die met een zwaaiende arm wordt gegeven
- plaats waar iets buigt of een rondgaande beweging kan maken
“De verhuizers kregen de kast met moeit voorbij de draai in de trap.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van draaien
- form-ofgebiedende wijs van draaien
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van draaien
Formsdraaien(plural) · draaitje(diminutive, singular) · draaitjes(diminutive, plural)