drom
Herkomsterfwoord via Middelnederlands droom van Oudnederlands droom, in de betekenis van ‘voorstelling in de slaap’ aangetroffen vanaf de tweede helft van de 12e eeuw
- beelden die men ziet wanneer men slaapt
“Zou hij in staat zijn zichzelf voor te stellen? En wilde hij misschien net hetzelfde vragen als Lysbeth Timmers? Als in een droom loopt Otto naar het kindje toe, en hij strekt verwachtingsvol zijn han”
“Hij had een enge droom over draken en reuzen.”
- figurativelybeelden die niet op waarheid berusten
“Hier was de tijd blijven zweven in melancholie en heimwee naar de droom van een schaduw van een rinkelend verleden.”
- een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
“Het hebben van een Porsche was altijd haar grote droom geweest.”
“Hier was de tijd blijven zweven in melancholie en heimwee naar de droom van een schaduw van een rinkelend verleden.”
“Allemaal dromers die hun dromen waarmaakten.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dromen
- form-ofgebiedende wijs van dromen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dromen
“Droom je?”
“Ik droom ervan! Het fruit van de koloniën - in mijn achtertuin en op mijn feest!' 'Wat wilt u gaan doen met uw overvloedige opbrengst, mevrouw?' vraagt Otto.”
Vormendromen(plural) · droompje(diminutive, singular) · droompjes(diminutive, plural)