/dʋɑrs/
HerkomstIn de betekenis van ‘scheef, weerbarstig’ voor het eerst aangetroffen in 1265
- in de breedterichting
“Schouderbinnenwaarts is dus eigenlijk iets dwarser dan schoudervoor.”
- geneigd medewerking te weigeren
“In maanden die volgden werd Daantje steeds dwarser en dwarser.”
“Ze legde uit dat ze een gedachbij de gevangene had geplant dat nog kon groeien als ze hem niet te hard aanpakten, daar zou hij alleen nog maar dwarser van worden en zijn adrenaline zou erdoor toenemen”
- ergens helemaal doorheen dus ook door het midden
“We lopen al lang niet meer over een pad, maar dwars over een akker heen, de ruïne steeds verder achter ons latend.”
“Waarom ging ik zes maanden op de Pacific Crest Trail (PCT) dwars door Amerika lopen?”
- in de breedterichting
“Dwars door de sloot lag een omgevallen knotwilg.”
- ~ liggen: niet meewerken, tegenstand bieden
“Het voorstel kreeg veel bijval, maar er lagen twee landen dwars.”
- iemand iets ~ zitten: een wrok koesteren over iets
“Het zat hem dwars dat hij daarvan valselijk beschuldigd werd.”
Vormendwarser(uninflected, comparative) · dwarst(uninflected, superlative) · dwarse(inflected, positive) · dwarsere(inflected, comparative) · dwarste(inflected, superlative) · dwarsers(partitive, comparative)