ˈɛlpə(n)
Origin(verkorting) elpenbeen zn "ivoor"
- van ivoor,
“Met luide stem bestelde Vermeylen, van uit de verre hoek, waar hij zich met zijn kameraad had afgezonderd, een spel domino's en een doos stekjes. Gust stortte de elpen stenen vóór zich over de tafel”
- figurativelywit of bleek als ivoor
“‘O nee, lieve Papa! Ik herleef integendeel, 't was een dag om te bezwijken voor een schepseltje met zulke zwakke zenuwen als ik’, sprak zij met een matte stem, terwijl de kleine hand over het elpen vo”
- obsoleteglanzend wit tandbeen van olifanten
“Jupyn leunt op den staf van elpen, als beschermer, (…)”