/ˈɛrɣər/
Herkomsterg met het achtervoegsel -er
- form-ofonverbogen vorm van de vergrotende trap van erg
“De kranten maken het erger dan het is - maar ze stellen nooit de vraag waarom er eigenlijk geplunderd wordt.”
“'Wát? Wist je ervan?' Ze voelt de snik aankomen - dit is haast nog erger dan de aanblik van Jack en haar naakte echtgenoot op de chaise longue in zijn kantoor.”
“De reputatie van Johannes zou nog erger worden geschaad als bekend werd dat zijn vrouw op de Eilanden rondneusde.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ergeren
- form-ofgebiedende wijs van ergeren
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ergeren