/ˈjaːɣə(n)/
HerkomstIn de betekenis van ‘wild proberen te vangen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- unergativebewegende wezens (m.n. wilde dieren) proberen te vangen
“Er wordt ook gejaagd op herten.”
“Wat vinden ze van hem? Hoe zouden ze reageren als ik zou zeggen dat deze gids met zijn verhalen mijn nieuwe liefde is? 'Dus na uren tevergeefs jagen op de inktvis die we aan onze moeders hadden beloof”
“Zoals John van Salisbury - niet zonder sarcasme - schreef: 'In onze tijd worden de jacht en de valkenjacht door de adel beschouwd als de meest nobele bezigheden en meest excellente deugden, en zij bes”
- intransitivehard en vaak luidruchtig blazen
“De wind joeg door de bomen.”
“De wind joeg door de scheuren van het dak regen als het herfst en sneeuw als het winter was.”
- obsolete, transitivehet door mens of dier vanaf de wal slepen van schuiten
“Vrachtvervoer vereiste geen grote snelheid en geschiedde nog enige tijd per gejaagde schuiten, terwijl ook grotere vrachtzeilschepen bij windstil weer nog werden gejaagd.”
- intransitivezich snel voortbewegen
“De auto joeg door kleine dorpjes.”
Vormen*jaagde(past) · joeg(past) · gejaagd(past, participle) · te jagen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen jagen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen jagen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gejaagd(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gejaagd(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gejaagd zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gejaagd te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · jagend(imperfect, participle) · ev.
jaag(imperative) · jage(subjunctive) · jaag(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · jaagt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · jaagt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · jaagde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · joeg(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · jaagde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · joeg(indicative, imperfect, past, singular, second-person)