flɛns
Originvan Engels flange, dat via het Frans flanche op zijn beurt een Germaanse oorsprong heeft (vgl. flank); in de betekenis van ‘opstaande rand’ voor het eerst aangetroffen in 1872
- een opstaande en vaak vlakke rand of kraag, bijvoorbeeld aan het uiteinde van een buis of pijp om een lekdichte verbinding met een andere pijp of een afdichting mogelijk te maken
“Die flens is beschadigd en maakt een goede afdichting onmogelijk.”
- dunne pannenkoek
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flenzen
- form-ofgebiedende wijs van flenzen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flenzen
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flensen
- form-ofgebiedende wijs van flensen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flensen
Formsflenzen(plural) · flensje(diminutive, singular) · flensjes(diminutive, plural)