flør
HerkomstLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bloeiende toestand’ voor het eerst aangetroffen in 1521
- florerende toestand
- figurativelyopgewekte, positieve stemming of uitstraling
- lijn met aan de ene kant dobber, haakje en aas die aan de andere kant opgerold om een klosje aan het topje van de hengel is vastgemaakt, zodat de lijn eerst afrolt en dus wat meegeeft als een snoek in het aas bijt
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fleuren
- form-ofgebiedende wijs van fleuren
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fleuren
- feminine, namemeisjesnaam
Vormenfleuren(plural) · fleurtje(diminutive, singular) · fleurtjes(diminutive, plural) · Fleurs(genitive, singular)