tran
Herkomsterfwoord via Middelnederlands traen van Oudnederlands traan, in de betekenis van ‘oogvocht’ aangetroffen vanaf de 10e eeuw
- vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
“Toen ik de gigantische muur inktzwarte wolken op me af zag komen barstte ik in tranen uit.”
- geen meervoud olie bereid uit het spek van zeezoogdieren als walvissen en robben
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tranen
- form-ofgebiedende wijs van tranen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tranen
Vormentranen(plural) · traantje(diminutive, singular) · traantjes(diminutive, plural)