flœyt
Herkomstvia Middelnederlands flute / floite van Oudfrans flaute, in de betekenis van ‘blaasinstrument’ aangetroffen vanaf 1351
- buisvormig blaasinstrument
“Ten slotte kwam hij in een rotsachtige streek, waar hij plotseling de fluit van een herdersjongen hoorde.”
- op luchtstroom werkend signaalinstrument
- zeegaand vrachtschip met drie masten uit de 17e en 18e eeuw
- een wijn/champagneglas met voet, oorspronkelijk uit de 17e eeuw
- figuratively, informalmannelijk geslachtsdeel
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van fluiten
- form-ofgebiedende wijs van fluiten
“Hij fluit voor een overtreding van de voetballer.”
Vormenfluiten(plural) · fluitje(diminutive, singular) · fluitjes(diminutive, plural)