ɣest, /χeːst/, /ɣeːst/
HerkomstIn de betekenis van ‘ziel, onstoffelijk wezen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 776
- dat wat zich afspeelt in iemands gedachten
“„Je kunt niets met je geest”, zei ze tegen V. M., „als je een ernstige ziekte hebt. Mensen kunnen zo veel pijn hebben, of jeuk, dat ze suïcide willen plegen. Zodra de pijn weg is, is de geest weer op ”
“Mijn lichaam en geest waren volledig in harmonie met elkaar.”
“'Daar stonden ze, helm aan helm, geweer aan geweer, als in steen gehouwen. Ik werd met trots vervuld dat ik het bevel mocht voeren over een handvol mannen die mogelijk in stukken konden worden gereten”
- een onsubstantieel wezen
“Kinderen zijn vaak bang van geesten.”
- personen met een bepaalde attitude
“Op de trail had ik eindelijk het gevoel een hippie te zijn omdat ik in een gemeenschap leefde van vrije geesten, kleurrijk en stoffig.”
Vormengeesten(plural) · geestje(diminutive, singular) · geestjes(diminutive, plural)
Bron: Wiktionary