ɣəˈlʏk, /χəˈlɵk/, /ɣəˈlɵk/
HerkomstIn de betekenis van ‘voorspoed’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- toevallige meevaller
“Die zal ze eerst nuffig weigeren natuurlijk, maar met een beetje geluk knabbelt ze er toch een beetje van, waardoor' ze wat minder prikkelbaar wordt.”
“Het was een geluk geweest dat Joy zich na het eten uit de voeten had gemaakt en lang wegbleef, waardoor ik een tijdje alleen op de kamer was en rustig kon bellen.”
- prettige gemoedstoestand waarin men tevreden is met zichzelf en met de omgeving
“Dat kon ook niet anders, als je haar geluk en angst en verwondering zag over het feit dat ze een kind in zich droeg, zoiets moois, dat zo'n goede moeder zou krijgen.”
“Het was een groot feest in Deventer: Deventer kan zijn geluk niet op na bekerwinst Go Ahead Eagles: 'We gaan Europa in!' De horeca in het centrum van Deventer had al eerder afgesproken om middernacht ”
“Hij kon zijn geluk niet op; Isaac Robles in zijn schuilplaats en zijn kale zusje dat hem een wapen overhandigde.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gelukken
- form-ofgebiedende wijs van gelukken
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gelukken
Vormengelukken(plural) · gelukje(diminutive, singular) · gelukjes(diminutive, plural)