ˈɣevə(n), /ˈχevə(n)/, /ˈɣevə(n)/
Originerfwoord, in de betekenis van ‘aanreiken, verschaffen, schenken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901; van Proto-Germaans *geban- (een oudere wortel *dō- zou in het Germaans hierdoor zijn vervangen), wat mogelijk voordien *gab was. De klinkerverschuiving naar -e- in de tegenwoordige tijd zou onder invloed van *neman- kunnen zijn gebeurd. Mogelijk nog verder te herleiden tot Indo-Europees *ghebh- (zie ook de mogelijke etymologie van hebben). Volgens een nieuwere opvatting is er sprake van een nog oudere gezamenlijke wortel *kap-, *ghabh-/*ghebh- in het PIE (in dat geval zouden zowel hebben als bijv. ook Latijn capere en habere, waar in ieder geval sprake is van een duidelijke betekenisverwantschap, met geven verwant zijn).
- overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
- aanbieden
“Ik geef jullie een aantal ervaringen die ik heb meegemaakt op mijn eigen pad. Het zijn lessen die voor mij werken maar niet noodzakelijkerwijs voor jullie. Zie ze als suggesties, adviezen die je op ve”
- opleveren, veroorzaken, verschaffen
“Deze wakkerheid gaf me een autonoom gevoel.”
“Deze informatie was nog betrouwbaarder dan de soms wat verouderde opmerkingen in Guthook en gezamenlijk gaven ze voldoende informatie om met enigszins gerust hart de uitgedroogde woestijn in te trekke”
Formsgaf(past) · gegeven(past, participle) · te geven(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen geven(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen geven(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gegeven(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gegeven(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gegeven zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gegeven te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · gevend(imperfect, participle) · ev.
geef(imperative) · geve(subjunctive) · geef(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · geeft(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · geeft(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · gaf(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · gaf(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · gaaft(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · gaf(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · gaven(indicative, imperfect, past, plural, first-person)