ɣnom
HerkomstLeenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘aardgeest’ voor het eerst aangetroffen in 1776
- mythologisch wezen dat lelijk, klein van stuk is en meestal een baard heeft
“Een interview met de krant, dat kan nog wel. Alleen die foto bij het stuk, daar zit ze wel mee. ‘Een interview vind ik niet eng, maar de foto’s zijn meestal niet zo’n feest. Dan weet je dat vast’, mai”
“Eind september verschijnt er nog één publicatie waarin de grofgebekte gnoom zijn opwachting maakt: Het Grote Kabouter Wesley Boek. Daarna is het afgelopen, beklemtoont de schrijver. ‘Ik was in mei al ”
Vormengnomen(plural) · gnoompje(diminutive, singular) · gnoompjes(diminutive, plural)