/ɣrip/
OriginLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘influenza’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1873
- een virusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
“Vorige week is er weer griep uitgebroken.”
- mestvork (-> greep)
Formsgriepen(plural) · griepje(diminutive, singular) · griepjes(diminutive, plural)