ɣrun
Originerfwoord via Middelnederlands groen / groene van Oudnederlands gruoni, verder wellicht doublet met zowel groeien als gras. Als kleurnaam aangetroffen vanaf 1040
Buiten het Germaans zijn geen verwante woorden met zekerheid bekend. Misschien van Proto-Indo-Europees *ǵhroh1-ni (deze gereconstrueerde wortel zou dan weer samenhangen met *ǵhrh1-,"groeien"), maar mogelijk ook een ontlening uit een substraattaal.
- kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd; secundaire kleur, in het spectrum gelegen tussen geel en cyaan, met een golflengte van ca. 550 nm
“Dit groen lijkt wel erg donker.”
“Dekkers: „Planten en bomen leven van de energie die ze uit zonlicht halen. Ze gebruiken de energierijke delen uit het witte licht van de zon. Wat dan overblijft is groen.””
“Veel leuker, maar ook langzamer, is de Route Nationale 7. Veel sterker dan op de Autoroute ervaar je hoe het landschap langzaam van kleur verschiet, van het sappige groen van de Bourgogne naar het azu”
- gebladerte, loof en andere plantendelen met veel bladgroen
“Fietsen door het groen.”
“De bloemist verwerkt ook veel groen in het boeket.”
- figuratively(persoon) iemand die in een bepaalde organisatie of activiteit nog geen ervaring heeft
- met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
“Dat is een groene vlag.”
- figurativelypassend in een natuurbewuste of duurzame levensstijl, ecologisch verantwoord, milieuvriendelijk
“Hij wil alleen maar groene benzine en groene stroom gebruiken.”
“Groene stroom in Nederland is populair. Meer dan de helft van de huishoudens in Nederland neemt stroom af die voortkomt uit wind, zon of biomassa.”
- onervaren, nieuw
“Hij is nog een beetje groen, maar dat trekt wel bij.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groenen
- form-ofgebiedende wijs van groenen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groenen
Formsgroenen(plural) · groentje(diminutive, singular) · groentjes(diminutive, plural)