snar
- lang zeer dun rond en flexibel voorwerp
- draad van een muziekinstrument die geluid produceert
“Zing en dans tezamen en wees blij, maar wees ieder alleen, zoals de snaren van een luit op zichzelf zijn, al doortrilt hen dezelfde muziek.”
- obsoleteschoondochter
“De turf souw vuerseeker de helft wel opslaan. Get hoe pronckte droncke Keesje vande Slochter: Mit zyn moye tuyt-meyt, hier ouwe Japen Dochter, En Mieuwes mal-monckt, die reet met sen jonghste snaar.”
Formssnaren(singular) · snaartje(diminutive) · snaartjes(diminutive, singular)