/ɣroːt/
HerkomstIn de betekenis van ‘niet klein’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1177
- meer dan normaal in formaat
“Ik had een grote powerbank die mijn telefoon 12 keer kon opladen, dus besloot ik het vanaf toen alleen met digitale hulpmiddelen te doen.”
“Het werd me al snel duidelijk dat ik de trail volledig had onderschat. De bergpaden waren steiler, de zon heter, de slangen groter en de afstanden tussen waterpunten langer dan ik me had voorgesteld.”
- bewonderenswaardig, goed
- machtig, belangrijk
“Mijn vrouw houdt niet van vliegen waardoor zij dertig jaar geleden de bewuste keuze heeft gemaakt dat nooit meer te doen. Ze was dan ook allang blij dat ze niet met mij mee hoefde op mijn verre reizen”
- volwassen
“Grote mensen en kinderen.”
“Ook boer Henk Koster kwam afscheid nemen. "Ik heb de hele ontwikkeling meegemaakt, vanaf het begin. Lenie 't Hart kwam vroeger bij ons spullen lenen om zeehondenpups groot te krijgen. Wat hier is opge”
- in ruime mate
“De fles was gelukkig groot genoeg en uiteindelijk kon ik met een zucht van verlichting de dop erop draaien.”
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
“groothouden: Hij hield zich groot.”
- een van oorsprong Italiaanse munt die tot 1496 ook in Vlaanderen gebruikt werd
Vormengroter(uninflected, comparative) · grootst(uninflected, superlative) · grote(inflected, positive) · grotere(inflected, comparative) · grootste(inflected, superlative) · groots(partitive, positive) · groters(partitive, comparative)