hɑˈlo
HerkomstLeenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘tussenwerpsel: uitroep en groet’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1909
- groet
- uitroep waarbij men iemand naar de bekende weg vraagt
“'Ik neem aan dat je weet wat er is gebeurd tijdens de Holocaust?' 'Nou, Hannah, hallo, wat denk je zelf? Alsof ik dat niet zou weten,' zegt ze verontwaardigd.”
“Jullie? Hallo?' Je kunt niet zeggen dat ik niet mijn best heb gedaan vandaag.”