/ˈhɑɫtə/
HerkomstLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘stopplaats voor openbaar vervoer’ voor het eerst aangetroffen in 1896
- een plaats waar gestopt wordt
“Na een korte halte gingen we verder met de reis.”
- een plaats waar een bus of tram stopt
“Omdat hij vlak naast een halte woont, gaat hij vaak met de bus.”
“We waren natuurlijk te laat en kwamen op het idee om te gaan zwartrijden in de trein vanuit Igelboda, het waren toch maar twee haltes voor Johan en drie voor mij.”
- figurativelyrustpunt
“Hoewel deze terugkeer naar de kou en de duisternis een nuttige halte in zijn leven was geworden, stond zijn trein in het station voor onderhoud en om na te denken.”
Vormenhalten(plural) · haltes(plural) · haltetje(diminutive, singular) · haltetjes(diminutive, plural)