/ɦavə(n)/
HerkomstIn de betekenis van ‘ligplaats voor schepen’ aangetroffen vanaf 1240
- natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen
“De haven van Rotterdam.”
“De boot lag in de haven.”
“En als mijn broer het niet doet, breng ik het zelf wel naar de haven ' 'Jij?' 'vertrouwt u me nou maar.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord haaf
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van havenen
- form-ofgebiedende wijs van havenen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van havenen
Vormenhavens(plural) · haventje(diminutive, singular) · haventjes(diminutive, plural)