hoˈtɛl, /ɦoʊ̯ˈtɛɫ/, /ɦoˈtɛɫ/
HerkomstVan het Franse hôtel, in de betekenis van ‘logement’ voor het eerst aangetroffen in 1855
- gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten, meestal grootschaliger, duurder en luxueuzer dan bijv. een herberg of hostel
“Een hotel aan het strand.”
“Er kwamen meer badkoetsen, de Badhuisweg werd aangelegd om de stad te verbinden met de badplaats en er werd een hotel gebouwd: het Grand Hotel des Bains, dat in 1886 feestelijk werd geopend.”
“`Heeft het hotel een nieuwe eigenaar?' vroeg ik.
`Onlangs is Grand Hotel Europa overgegaan in Chinese handen,'zei hij. 'De nieuwe eigenaar heet meneer Wang. Het gaat om een recente ontwikkeling die we”
- tijdelijk onderkomen voor (huis)dieren, als bijv. de eigenaars eigen tijd weg zijn; dierenpension
- obsoletegebouw v.e. gezantschap
- spelwoord van het ITU/NAVO-spellingalfabet voor de letter h
Vormenhotels(plural) · hotelletje(diminutive, singular) · hotelletjes(diminutive, plural)