OriginLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘billijk, correct’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1337
- zoals het moet, waar
“Momenteel is bijna een kwart van de diagnoses die gesteld worden bij patiënten die nog leven, niet juist.”
“Een aantal jongens had voor vertrek magic mushrooms genomen om de nacht nog magischer te maken. Ze genoten van hun psychedelische trip en vertelden uitgebreid over alle mooie kleuren die ze zagen. Een”
- daarnet, daarstraks, zopas, net, zo-even, zojuist, zonet
- in tegenstelling tot het vooraf genoemde
“Ze maakten uitgebreid filmpjes en juichten bij elke donderslag terwijl ik juist dieper in mijn slaapzak kroop. Ik voelde me klein en uiterst kwetsbaar.”
“"Onderzoekers zijn hier welkom": Macron was vandaag kritisch over het beleid van zijn Amerikaanse collega. "Wie had ooit kunnen denken dat zo'n grote democratie, met een economie die juist steunt op v”
- waddeneiland en gemeente in de Duitse deelstaat Nedersaksen
- toponymiceen gehucht in de Nederlandse gemeente Eemsdelta in de provincie Groningen
Formsjuister(uninflected, comparative) · (juistst) *(uninflected, superlative) · juiste(inflected, positive) · juistere(inflected, comparative) · (juistste) *(inflected, superlative) · juists(partitive, positive) · juisters(partitive, comparative) · Juists(possessive)