/kars/
HerkomstLeenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘vetstaaf met pit voor verlichting’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
“Vroeger had men 's nachts slechts kaarsen als verlichting.”
“Om drie uur 's nachts ging ze uitgeput op haar matras liggen en staarde naar de balken en het afbladderende plafond, waarvan de ruwe, hoge hoeken werden verlicht door het zwakke schijnsel van de kaars”
“Tot mijn verrassing en ontroering hadden ze een verjaardagstaart voor me gemaakt van een oude resupplydoos met 44 kaarsjes erop.”
- obsoleteoude eenheid van lichtsterkte (de zg. normaalkaars, thans candela)
“De winkelier zei dat deze lamp een lichtsterkte heeft van 30 cd, vroeger zou men zeggen: "een lamp van 30 kaars.".”
Vormenkaarsen(plural) · kaarsje(diminutive, singular) · kaarsjes(diminutive, plural)