ˈketə(n)
- uit losse, vaak metalen, schakels in een enkele rij aaneengeregen voorwerp
“En men stelde zich voor hoe de machtige Nicolaas, ieder jaar op zijn feestdag, de duivel in ketenen sloeg en geboeid met zich meevoerde.”
- figurativelyiets waardoor men gebonden is, dat de vrijheid belemmert
“Hij wist zijn ketenen te verbreken en zijn vrijheid te herwinnen.”
- figurativelyonderling in verband staande rij van gelijksoortige zaken
“Het eiland wordt doorsneden door een keten van vulkanen.”
- figurativelyvergelijkbare bedrijven op verschillende plaatsen die samen naar hun klanten als een geheel functioneren
“Hij bouwde het eethuisje van zijn ouders uit tot een keten van restaurants.”
- figurativelyin de tijd opeenvolgende reeks van gelijksoortige verschijnselen
“Het conflict ontstond door een keten van misverstanden.”
- aantal doorlopen gerelateerde stappen in een proces
“„Ik vind het vooral vervelend dat iedereen in de keten ná mij wel geld aan mijn aardappelen verdient. Van de vrachtwagenchauffeur die ze komt halen, tot de frietfabriek, de supermarkt en iedereen ertu”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord keet
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ketenen
- form-ofgebiedende wijs van ketenen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ketenen
- informal, unergativelol trappen, op een rumoerige manier plezier hebben
“Het werkt niet als je zo’n wedstrijd ernstig en strak probeert te leiden: mijn doelstelling is gewoon lekker te keten en veel plezier te maken.”
Formsketens(plural) · ketenen(plural) · ketentje(diminutive, singular) · ketentjes(diminutive, plural) · [A](canonical) · [A] keten(canonical) · [B] keten(canonical)