/klaːr/
OriginLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘helder’ voor het eerst aangetroffen in 1200
- in staat van gereedheid gebracht, gereed
“Is je huiswerk al klaar?”
“Tot mijn verbazing wist ik deze zes weken durende tocht zonder noemenswaardige problemen te voltooien, waardoor ik voor het eerst echt begon te geloven dat mijn ‘American Dream’ wel eens in vervulling”
- licht doorlatend
- helder, duidelijk
- zuiver
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
“klaarkrijgen: Ik krijg dat werk vandaag niet meer klaar.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klaren
- form-ofgebiedende wijs van klaren
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klaren
Formsklaarder(uninflected, comparative) · klaarst(uninflected, superlative) · klare(inflected, positive) · klaardere(inflected, comparative) · klaarste(inflected, superlative) · klaars(partitive, positive) · klaarders(partitive, comparative)