/klʌu/
HerkomstIn de betekenis van ‘nagel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
- uiteinde van een poot met kromme nagels van een roofdier
“Met z'n reusachtige klauwen vermorzelt het beest z'n prooi.”
- informalhand
“Blijf met je klauwen van mijn lijf!”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klauwen
- form-ofgebiedende wijs van klauwen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klauwen
Vormenklauwen(plural) · klauwtje(diminutive, singular) · klauwtjes(diminutive, plural)