ˈkɔjnɛ
Originvan Oudgrieks κοινή (koinè), vrouwelijke vorm van κοινός (koinós) "algemeen"; kort voor κοινή διάλεκτος (koinè diálektos) "algemeen dialect"
- algemene omgangstaal tussen mensen die verschillende moedertalen of dialecten spreken
“Of worden alle teksten - van gebruiksaanwijzingen tot romans - tegen die tijd rechtstreeks geschreven in een lingua franca of een koine die net zo goed een soort steenkolenengels als een soort met het”
- linguistics, no-pluralOudgrieks dat vanaf de 4e eeuw vóór tot de 15e eeuw ná Christus voertaal in het oostelijke Middellandse Zeegebied was
“Er bestaan ook goede Nederlandse woordenboeken, bijv. van klassiek Grieks waar ook het Koine is in verwerkt.”
“De nieuwe christelijke leer - die religieus een parvenu was - ging er in zekere zin dus vandoor met het Hebreeuwse Oude Testament, maar liet dit uitmonden in een nieuwe taal, het Koine-Grieks. Maar da”