ˈkomə(n)
Herkomsterfwoord in de betekenis van ‘een plaats bereiken’ voor het eerst aangetroffen in 901
- ergativebewegen van verder weg naar dichterbij
“Ik voelde me veel minder veilig in de bossen dan in de uitgestrekte, open woestijn. Dat kwam waarschijnlijk omdat je in de woestijn altijd alles om je heen kon zien, maar ook doordat ik uit het vlakke”
“Toen ik de gigantische muur inktzwarte wolken op me af zag komen barstte ik in tranen uit.”
“Het Burning Man-festival in Nevada is de ultieme expressie hiervan en het komt aardig in de buurt van de echte hippielevensstijl van destijds.”
- ergativeeen orgasme hebben, klaarkomen
- copulativeworden, bedijgen
- toponymicdeelgemeente en stadje aan de Leie van Komen-Waasten, een faciliteitengemeente in de provincie Henegouwen in België
- toponymicFranse gemeente aan de andere oever van de Leie van bovenstaande Komen
Vormenkwam(past) · gekomen(past, participle) · te komen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen komen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen komen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · zijn gekomen(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te zijn gekomen(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gekomen zullen zijn(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gekomen te zullen zijn(active, infinitive, perfect, future, long-form) · komend(imperfect, participle) · ev.
kom(imperative) · kome(subjunctive) · kom(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · komt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · komt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · kwam(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · kwam(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · kwaamt(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · kwam(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · kwamen(indicative, imperfect, past, plural, first-person)