/ˈkɔma/
HerkomstLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘leesteken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1612
- een leesteken dat een pauze aangeeft, weergegeven met symbool ,
“Met een komma kun je hier één zin van maken, in de plaats van twee.”
- een klein stelselmatig verschil in toonhoogte veroorzaakt door een andere benadering van het spellingsprobleem
“Het Pythagoreïsch komma.”
- symbool om bij breuken de eenheden van het gebroken deel te scheiden
“in de Angelsaksische notatie gebruikt men i.p.v. de komma een punt.”
Vormenkomma's(plural) · kommaatje(diminutive, singular) · kommaatjes(diminutive, plural)