kron
OriginLeenwoord uit het Deens of ijslands of noors of zweeds, in de betekenis van ‘munteenheid van Denemarken en later ook IJsland, Noorwegen en Zweden’ voor het eerst aangetroffen in 1871
- hoofddeksel dat door een vorst 1 gedragen wordt
“De koning droeg zijn kroon.”
- figurativelymetafoor voor de “vorst”
“Daarvoor is toestemming van de kroon noodzakelijk.”
- figurativelyiets wat belangrijk of het belangrijkste is, vooral gebruikt in samenstellingen
“De kroongetuige bleek niet betrouwbaar te zijn.”
- figurativelyverwijzing naar de vorm van 1
“Hij heeft een kroon in zijn gebit.”
“Ik heb kiespijn,’ zegt Jan Mulder aan de telefoon. ‘Er is een kroon uitgevallen. Een zenuw is ontstoken, drie kronen moeten worden vervangen en aan de andere kant zit een gaatje, dus eten lukt me alle”
- benaming voor verschillende munteenheden gebruikt in Denemarken, IJsland, Noorwegen, Tsjechië en Zweden
“Als ingenieur in dienst van de Noorse staat zou zijn loon 600 Noorse kronen per jaar zijn geweest plus vrije kost en inwoning, dat wilde zeggen het recht om te wonen zoals hij nu woonde maar dan met z”
- munstuk met de waarde van 1 kroon
- een lichtbron bestaande uit een krans van lichtbronnen
“Na het aansteken de kaarsen werd de kroon weer opgehesen.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kronen
- form-ofgebiedende wijs van kronen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kronen
Formskronen(plural) · kroontje(diminutive, singular) · kroontjes(diminutive, plural)