OriginLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bovenste deel van hoofd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
- het bovenste deel van het hoofd, dat gewoonlijk met haar bedekt is
“In sommige kloosterordes hebben de monniken een kruinschering of tonsuur, waarbij het haar van de kruin wordt weggeschoren.”
- het bovenste deel van een boom waar de bladeren zitten
“Je zag vanuit de ramen de kruinen van twee grote platanen.”
Formskruinen(plural) · kruintje(diminutive, singular) · kruintjes(diminutive, plural)