OriginLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘twee balken die elkaar rechthoekig snijden’ voor het eerst aangetroffen in 991
- geometrisch figuur waarin twee rechte lijnen elkaar snijden
- constructie van twee onder een hoek aan elkaar vastgemaakte onderdelen
- ongeluk of ellende
- symbolisch teken (het rode kruis, hakenkruis, Andreaskruis)
“' Ik zag dat Quick met trillende hand een dik zwart kruis bij 28 november in haar agenda zette.”
- christelijk religieus symbool afgeleid van de kruisiging van Jezus Christus
“Het kruis van Olaf toont zich in volledige en volle glorie aan me.”
“Als ik de volle maan zie sla ik vreemd genoeg altijd een kruis, kus mijn duim en wijs naar de maan als gebaar van dankbaarheid voor de rijke ervaringen in mijn leven en de mensen om mij heen.”
“Ook al ben ik geen katholiek, toch sla ik vaak een kruisje voor mijn borst.”
- militaire onderscheiding
- deel van het menselijk lichaam waar de benen samenkomen
“In de tram was ik me bewust van mijn schaamlippen die tegen de naden van het kruis van de joggingbroek aan schuurden.”
“In de tram was ik me bewust van mijn schaamlippen die tegen de naden van het kruis van de joggingbroek aan schuurden.”
- plaats waar de pijpen van een broek samenkomen
- teken in de muzieknotatie dat de verhoging van een toon met een halve stap aangeeft
- achterste deel van paardachtige dieren
- plusteken of maalteken
- een van de kruisverenigingen
- een van beide zijden van een munt
- folterwerktuig.
- bovendeel van een anker
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kruisen
- form-ofgebiedende wijs van kruisen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kruisen
Formskruisen(singular) · kruisje(diminutive) · kruisjes(diminutive, singular) · kruizen(singular)