ˈlɛntə
HerkomstIn de betekenis van ‘voorjaar’ voor het eerst aangetroffen in 1050
- eerste jaargetijde, een van de vier seizoenen
“In de lente worden de dagen steeds langer.”
“De lente, die ik maanden geleden in de hete woestijn had meegemaakt, begon nu pas in de bergen.”
“Pierewiet. Pierewiet. Het lied met pierewiet gaat over een merel in de lente. Dat mag best, nu de lente in het jasje van de herfst is gaan wonen. Samuel heeft geregeld muziektherapie en voor woorden a”
Vormenlentes(plural) · lentetje(diminutive, singular) · lentetjes(diminutive, plural)