/'levən/
HerkomstIn de betekenis van ‘niet dood zijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901.
- het doormaken van het leven, het doormaken van de periode tussen geboorte en dood
“Zij leven al drie jaar langer dan verwacht met die ziekte.”
“Wij zullen lang leven!”
“Vaak had ik gefantaseerd hoe het zou zijn om in een andere tijd te hebben geleefd.”
- wonen, verblijven
“Boven alles deed het me beseffen hoe veel geluk ik heb dat ik in een vrij land leef, waar mijn dochters kunnen doen wat ze willen en ongestoord naar school kunnen gaan.”
“Wat leefden we op dit moment in compleet andere werelden, wat was ik ver weg en wat zou ik ze nu graag even vast willen houden.”
- spreken en denken over een bepaald onderwerp
“Leave No Trace (LNT) leeft sterk binnen de hikergemeenschap.”
- een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
“Het leven op aarde moet er tijdens de ijstijd heel anders uitgezien hebben dan nu.”
“Koraalriffen zijn van levensbelang voor het leven in de oceanen en daardoor ook voor de mensheid. 25 procent van het zeeleven leeft in en rond koraalriffen. Ze zijn van belang voor de visserij, toeris”
- de tijdsspanne die men levend doorbrengt
“Die schrijver heeft gedurende zijn leven heel wat werken geschreven die ook vandaag nog veel gelezen worden.”
- het menselijk bestaan in het algemeen of een deel daarvan
“`Van Sinterklaas tot Sintemaarten' is bestemd voor Nederland en Vlaanderen. Wij hopen van harte dat het boek, mede door de grote toewijding waarmee Otto Dicke het heeft geïllustreerd, met vreugde gebr”
“Terlouw promoveerde op kernfusie, maar stelde halverwege zijn leven vast dat de wetenschap hem onvoldoende bevredigde. Hij stapte over naar de politiek en ging kinder- en jeugdboeken schrijven.”
“In Assen komen de twee beelden samen in Window of my Eyes, een tentoonstelling in het Drents Museum over leven en werk van Harry Muskee, die met zijn Cuby + Blizzards legendarisch werd met een heel ei”
- periode dat iets in functie is
“Toch blijft de Nationale 7 een mythisch traject, een Franse Route 66, aan een tweede leven begonnen als nostalgische attractie. 'De mensen willen terugkeren naar een gelukkige tijd', zegt Patrick Henr”
- activiteit en drukte
“Hij vroeg zich af wat dit alles te betekenen had. Anders was zo'n grote stad toch altijd vol leven?”
“Je ziet ook hoe het leven langzaam uit de Route is weggetrokken. De romantiek van het verval is overvloedig aanwezig. Verlaten, met gras en onkruid overwoekerde tankstations.”
Vormenleefde(past) · geleefd(past, participle) · te leven(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen leven(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen leven(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben geleefd(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben geleefd(active, infinitive, perfect, present, long-form) · geleefd zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · geleefd te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · levend(imperfect, participle) · ev.
leef(imperative) · leve(subjunctive) · leef(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · leeft(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · leeft(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · leefde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · leefde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · leefde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · leefden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · leefden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)