/loːts/
Origin[1] via Middelnederlands loodse / loosse van Frans loge, in de betekenis van ‘schuur’ aangetroffen vanaf 1285
- gebouw voor opslag van goederen
- iemand die schepen als stuurman begeleidt bij het varen van en naar een bepaalde haven
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van loodsen
- form-ofgebiedende wijs van loodsen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van loodsen
Formsloodsen(plural) · loodsje(diminutive, singular) · loodsjes(diminutive, plural)