ˈlopə(n)
OriginIn de betekenis van ‘gaan’ voor het eerst aangetroffen in 901
- ergativestappen, gaan, wandelen
“Lopen naar het stadhuis is sneller dan met de auto.”
“Jack was een kale man van in de zestig die 35 jaar geleden zelf de PCT had gelopen.”
“Meteen liep ik naar mijn tent die onder het gewicht van de sneeuw voor de helft bleek te zijn ingestort.”
- ergativerennen
“Je zal moeten lopen als je de trein nog wil halen.”
- unergativestappen, gaan
“Hij heeft gisteren een heel stuk gelopen.”
“Er wordt daar niet veel gelopen.”
“Jack was een kale man van in de zestig die 35 jaar geleden zelf de PCT had gelopen.”
- unergativerennen
“Hij heeft gisteren tien kilometer gelopen.”
- ergativevoortgang maken
“De zaken lopen erg goed.”
- ergativevloeien of stromen
“Het water loopt in mijn kleren.”
- auxiliary~ te: duratief hulpwerkwoord, iets doen terwijl men loopt
“Ach, loop niet zo te zeuren, man!”
“Hij heeft de krant lopen rondbrengen.”
- grammaticaal in orde zijn
“De zin loopt niet lekker.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord loop
Formsliep(past) · gelopen(past, participle) · te lopen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen lopen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen lopen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · zijn gelopen(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te zijn gelopen(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gelopen zullen zijn(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gelopen te zullen zijn(active, infinitive, perfect, future, long-form) · lopend(imperfect, participle) · ev.
loop(imperative) · lope(subjunctive) · loop(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · loopt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · loopt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · liep(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · liep(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · liept(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · liep(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · liepen(indicative, imperfect, past, plural, first-person)