/menə(n)/
OriginIn de betekenis van ‘bedoelen, denken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265
- transitivede bedoeling hebben
“Hij meende dat hij hier niet op terug wou komen.”
- serieus zijn
- denken, een mening toegedaan zijn
“Hij meent misschien dat hem dit toegestaan is, maar hij vergist zich.”
- toponymicstad in de provincie West-Vlaanderen in België
Formsmeende(past) · gemeend(past, participle) · te menen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen menen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen menen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gemeend(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gemeend(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gemeend zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gemeend te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · menend(imperfect, participle) · ev.
meen(imperative) · mene(subjunctive) · meen(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · meent(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · meent(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · meende(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · meende(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · meende(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · meenden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · meenden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)