OriginLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘volk’ voor het eerst aangetroffen in 1408
- een groep mensen (volk) die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt en een staat vormen
“De naties van de Europese Unie zijn begonnen aan een gemeenschappelijke politieke ontwikkeling.”
“Het was een benoemer, zo iemand die de godganse dag aan de voltallige natie meedeelt wat hij aan het doen is, ervan uitgaande dat de hele wereld daar ontstellend in is geïnteresseerd.”
“Meteen na de oorlog introduceerde Tito één centraal én gratis onderwijssysteem met schoolboeken waarin onze prachtige natie en natuurlijk de heldendaden van onze maarschalk werden bezongen.”
Formsnaties(plural) · natiën(plural) · natietje(diminutive, singular) · natietjes(diminutive, plural)